|
uw onderwerp:
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W XYZ OVERIG
|
|
Afwijkingen in het erfelijk materiaal
Erfelijk materiaal Het erfelijk materiaal zit in de chromosomen van alle cellen van het menselijk lichaam. Afwijkingen in het erfelijk materiaal kunnen een erfelijke aandoening veroorzaken. Er zijn drie verschillende groepen erfelijke afwijkingen: chromosoomafwijkingen, monogene aandoeningen en multifactoriële aandoeningen.
Het is zeker niet zo dat afwijkingen in het erfelijk materiaal altijd een erfelijke aandoening veroorzaken. Iedereen is drager van een aantal afwijkende erfelijke eigenschappen, zonder daar zelf iets van te merken. De afwijking komt namelijk niet tot uiting, als er ook nog een gezonde kopie van dit erfelijk materiaal aanwezig is.
1. Chromosoomafwijkingen
Deze chromosoomafwijkingen kunnen leiden tot een miskraam, vaak in de eerste drie maanden van de zwangerschap. Ook kan er een kind geboren worden met een aangeboren aandoening. De kans op een miskraam of een kind met een aangeboren aandoening wordt bepaald door het type chromosoomafwijking. Van alle pasgeborenen heeft 1 op de 200 (0,5%) een of andere chromosoomafwijking. De chromosoomafwijking die het meest voorkomt is het Downsyndroom. Per jaar worden er in Nederland ongeveer 200 baby's met het Downsyndroom geboren. Mensen met het Downsyndroom hebben meestal karakteristieke uiterlijke kenmerken. Kinderen met dit syndroom ontwikkelen zich zowel lichamelijk als verstandelijk trager dan andere kinderen. Meer informatie over chromosoomafwijkingen.
2. Monogene aandoeningen
Aandoeningen die veroorzaakt worden door de mutatie in één gen zijn monogene aandoeningen. Van alle pasgeborenen heeft ongeveer 1,5 op de 100 (1,5%) een monogene aandoening. Een voorbeeld van een monogene aandoening is familiaire hypercholesterolemie (FH). Deze aandoening komt in de Nederlandse bevolking bij ongeveer 1 op de 500 mensen voor. Bij FH is er sprake van een verhoogd cholesterolgehalte in het bloed, waardoor op den duur verstoppingen kunnen ontstaan van de vaten die het hart van bloed (zuurstof) voorzien. Hierdoor is er een verhoogde kans op bijvoorbeeld een hartinfarct.
3. Multifactoriële aandoeningen
Bij 25 op de 1000 tot 40 op de 1000 (2,5 tot 4%) van alle pasgeborenen is er sprake van een (aangeboren) multifactoriële aandoening. De meeste multifactoriële aandoeningen ontwikkelen zich geleidelijk tijdens het leven en komen pas later tot uiting. Minstens de helft van alle volwassenen heeft een genetische aanleg voor één of meerdere multifactoriële aandoeningen, zoals bijvoorbeeld sommige vormen van diabetes of hart- en vaatziekten. Van sommige multifactoriële aandoeningen is al wel bekend welke genen meespelen bij het ontstaan ervan. Een verandering (mutatie) in zo'n gen, die de kans op de aandoening verhoogt, heet een genetische risicofactor. Er zijn genetische risicofactoren die de kans op de aandoening licht verhogen, maar er zijn ook risicofactoren die meestal leiden tot de aandoening en de kans daarop dus sterk verhogen. Een voorbeeld van een aangeboren multifactoriële aandoening is een neurale buisdefect, zoals een open ruggetje (spina bifida). Als gevolg van spina bifida kan er onder de plek van het open ruggetje, in meer of mindere mate sprake zijn van verlamming van de benen en uitval van de controle over de sluitspieren. Van neurale-buisdefecten, zoals een open ruggetje, is nog voor een groot deel onbekend welke erfelijke factoren en omgevingsfactoren elkaar beïnvloeden en hoe dat in zijn werk gaat. Een belangrijke omgevingsfactor is een tekort aan foliumzuur (vitamine B11). Foliumzuur is onder andere van belang voor de bouw en werking van cellen en is helpt bij een goede ontwikkeling van het zenuwstelsel van de baby. Kanker is een voorbeeld van een later in het leven optredende multifactoriële aandoening. Tien procent van alle vormen van kanker is erfelijk bepaald. Iemand met de aanleg voor erfelijke kanker heeft een grotere kans op de aandoening dan iemand zonder die aanleg. Daarnaast zijn er omgevingsfactoren die invloed hebben op ontstaan van kanker. Iemand die rookt heeft bijvoorbeeld een grotere kans op longkanker en voedingsgewoontes kunnen invloed hebben op het ontstaan van dikke-darmkanker. Informatie over erfelijkheid op deze website Verwante onderwerpen op deze site Auteur Drs. Marloes Brouns-van Engelen (medisch bioloog) Gebaseerd op een tekst van de VSOP (juni 2001). Redactie Petra Bloem (informatiespecialist), Ragna Senf, MSc (bioloog) en Mies Wits-Douw (publieksvoorlichter) Datum Juli 2010 |
Een vraag stellen? Klik hier.
© Stichting Erfocentrum 2001-2010 / Disclaimer
Het Erfocentrum is het Nationale Kennis- en Voorlichtingscentrum Erfelijkheid, Zwangerschap en Medische Biotechnologie.
Het Erfocentrum wordt mede mogelijk gemaakt door financiële steun van de Centra voor Klinische Genetica en donaties.
Het Erfocentrum is een non-profitorganisatie en kan ook uw steun goed gebruiken. Steun ons!.
