Hoe erf je iets?

Om te begrijpen hoe ouders erfelijke eigenschappen doorgeven aan hun kinderen, gaan we terug naar het begin van elk leven: de bevruchting. Bij de bevruchting versmelten een eicel van de moeder, en een spermacel van de vader met elkaar.

In alle lichaamscellen zitten 46 chromosomen. Behalve in eicellen en spermacellen: deze bevatten 23 chromosomen. Deze cellen noemen we geslachtscellen of voortplantingscellen. Als de eicel en spermacel versmelten, ontstaat weer een cel met 46 chromosomen. Deze bevruchte eicel noemen we de “zygote”. Hieruit ontstaat uiteindelijk een mens.

Van zygote tot mens

De zygote deelt zichzelf tot 2, 4, 8, 16, 32, enzovoorts cellen. Dit proces heet “mitose”. Voordat een cel zichzelf in tweeën deelt, verdubbelen alle chromosomen. Hierdoor zitten er in elke nieuwe cel weer 46 chromosomen. Deze chromosomen zijn een precieze kopie van de chromosomen uit de allereerste cel; de zygote. Ze bevatten dus dezelfde erfelijke informatie.
 
 
De cellen blijven zichzelf alsmaar delen. Zodoende verandert de zygote in een embryo, een foetus en tot slot een (ongeboren) baby. In alle cellen van de baby zit de helft van de erfelijke eigenschappen van de vader, en de andere helft van de moeder. Deze combinatie bepaalt de uiteindelijke kenmerken van het kind.

Meer informatie

Colofon

 

Auteur
Ragna Senf, MSc (bioloog)

Redactie
Mies Wits-Douw (publieksvoorlichter)

Foto
Zygote: een bevruchte eicel. Copyright Wellcome Images

 

Aanmaakdatum: 21-9-2011
Updatedatum: 21-9-2011