|
uw onderwerp:
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W XYZ OVERIG
|
|
Overervingspatronen
Het overerven van aandoeningen gaat niet altijd op dezelfde manier, net als bij het overerven van andere eigenschappen. Er zijn families waar bepaalde ziekten vaak voorkomen, en families waar opeens een kind met een aandoening geboren wordt. Sommige aandoeningen krijgen bijna alleen jongens, en andere vooral meisjes. En vaak kunnen zowel jongens als meisjes de aandoening erven. Deze verschillen bestaan, omdat er veel verschillende manieren van overerven zijn. Hieronder volgt uitleg over deze verschillende manieren. 1. Autosomaal dominante overerving
1. Autosomaal dominante overerving Sommige erfelijke eigenschappen en aandoeningen ontstaan als een kind van één ouder een afwijkende gen krijgt, ook al krijgt hij/zij van de andere ouder wel een normaal gen. Deze manier van overerven heet autosomaal dominante overerving. Kinderen van een vader of moeder met een autosomaal dominant erfelijke aandoening krijgen via de eicel (de moeder) of de zaadcel (de vader) van de aangedane ouder een van de twee, dus het normale gen of het afwijkende gen. Elke zoon of dochter heeft daarmee een kans van 50% om de erfelijke aandoening te erven.
Een voorbeeld van een autosomaal dominante aandoening is de ziekte van Huntington. Deze aandoening openbaart zich meestal tussen het 35e en 45e levensjaar. Op deze leeftijd kan iemand al kinderen hebben gekregen, die dan ook een kans van 50% hebben op de ziekte van Huntington. Het kan gebeuren dat iemand een autosomaal dominante erfelijke ziekte heeft, terwijl beide ouders die ziekte zelf niet hebben. Dan er meestal sprake geweest van een nieuw ontstane verandering bij het kind zelf, een nieuwe mutatie. 2. Autosomaal recessieve overerving Heeft iemand voor een bepaalde eigenschap een veranderd gen dat recessief is, dan zal die persoon daar zelf meestal niets van merken. Op het bijbehorende chromosoom ligt in principe het 'gezonde' gen dat dominant is. Zo’n persoon heet een drager, omdat hij/zij het afwijkende gen draagt maar er meestal niets van merkt. Wanneer beide ouders een recessief gen doorgeven aan hun kind, kan dit kind een recessieve aandoening krijgen. Als beide ouders drager zijn van hetzelfde afwijkende recessieve gen, dan kunnen zij dit afwijkende gen allebei doorgeven aan hun kind. De kans dat dit gebeurt is 1 op de 4 (25%). Natuurlijk is ook de combinatie van een gezond gen met een afwijkend gen mogelijk. De kans daarop is 1 op de 2 (50%). Deze nakomelingen zijn dus weer drager van de aandoening. Als het kind van beide ouders het gezonde gen erven, hebben ze niet de aandoening en zijn ze ook geen drager. De kans daarop is ook 1 op de 4 (25%).
Iemand kan dus gezond zijn, maar wel drager van de genmutatie die tot de aandoening kan leiden. Zo zijn we, zonder het te weten, allemaal drager van verschillende afwijkingen in het DNA. Veel ouders weten niet of zij drager zijn van een bepaalde aandoening, daarom kan er onverwacht een kind geboren worden met een ziekte. Een voorbeeld van een autosomaal recessief overervende aandoening is cystic fibrosis. Voor de meeste recessieve ziekten komt het dragerschap voor bij tussen de 1 op 200 tot 4 op 200 mensen. Bij toeval kunnen beide ouders drager zijn van hetzelfde recessieve gen. Die kans wordt groter als ze familie van elkaar zijn, bijvoorbeeld neef en nicht. Dit verklaart ook dat er in een huwelijk tussen bloedverwanten meestal een verhoogd risico is op een erfelijke ziekte bij hun kinderen. 3. X-gebonden (geslachtsgebonden) dominante overerving Er is sprake van X-gebonden dominante overerving als er een verandering in het gen is op het X-chromosoom die het normale gen overheerst. Maar deze manier van overerven is zeldzaam, omdat er op het X-chromosoom niet zoveel afwijkende genen zijn die dominant overerven. De kans dat kinderen een X-gebonden dominante aandoening van hun ouders erven, hangt af van welke ouder aangedaan is: Als de moeder de aandoening heeft, zal zij of het X-chromosoom met het afwijkende gen, of het gezonde X-chromosoom aan haar kinderen doorgeven. De kans is dus 50% dat zij de aandoening doorgeeft aan zonen zowel als aan dochters. Als de vader de aandoening heeft, zullen al zijn dochters de aandoening van hem erven. Dit komt omdat de vader maar één X-chromosoom heeft, dat hij altijd aan zijn dochters geeft. Jongens erven altijd het Y-chromosoom van hun vader en het X-chromosoom van hun moeder. Zij kunnen dus nooit de aandoening van hun vader overerven.
Een voorbeeld van een X-gebonden dominante aandoening is het syndroom van Alport en Rett syndroom. X-gebonden (dominante) aandoeningen kunnen ook het gevolg zijn van een nieuwe mutatie. 4. X-gebonden (geslachtsgebonden) recessieve overerving In sommige families zie je in opeenvolgende generaties een bepaalde eigenschap of aandoening vooral bij de jongens, zoals kleurenblindheid en hemofilie. De vrouwen in de familie zijn dan meestal gezond of hebben de ziekte in mindere mate. Hoe komt dat? De erfelijke verandering die de eigenschap of aandoening veroorzaakt, ligt op het X-chromosoom. Omdat vrouwen twee X-chromosomen hebben, zijn er dus ook twee genen met dezelfde taak. Een recessieve aandoening heb je pas als beide genen afwijken. Bij vrouwen moeten dus beide genen op de twee X-chromosomen veranderd zijn, voordat zij zelf de aandoening hebben. Als één van die twee genen veranderd is, zit er nog steeds een goed werkend gen op het andere X-chromosoom. Ze zijn dus meestal draagsters.
Zonen van draagsters hebben 50% kans om het afwijkende gen en dus de ziekte te erven. Dochters hebben 50% kans om draagster te zijn als de vader de eigenschap of de aandoening niet heeft. Bij mannen is het anders. Zij hebben maar één X-chromosoom. Wanneer het gen op het X-chromosoom veranderd is, is er geen tweede X-chromosoom aanwezig om dat op te vangen. X-gebonden recessieve aandoeningen komen daarom bijna alleen bij mannen voor. Dochters van een aangedane man zijn altijd draagsters van de aandoening, zij kunnen maar een X-chromosoom van hun vader krijgen en dat bevat dus altijd het defecte gen. Zonen kunnen de aandoening niet erven van hun vader en kunnen ook geen drager zijn. Zij erven immers het Y-chromosoom van hun vader. X-gebonden (recessieve) aandoeningen kunnen ook het gevolg zijn van een nieuwe mutatie. 5. Multifactoriële overerving Genen, die de erfelijke informatie bevatten, spelen niet altijd de enige rol bij het ontstaan van ziekten. Van steeds meer ziekten blijkt dat een samenspel van meerdere genen en invloeden van buitenaf bepaalt of bij iemand wel of niet een ziekte tot uiting komt. Daarom noemen we dit multifactorieel (door meerdere factoren) veroorzaakte aandoeningen. Bij multifactoriële aandoeningen zijn duidelijke regels voor de overerving moeilijk aan te geven. Hooguit kunnen kinderen de aanleg voor een bepaalde eigenschap of aandoening erven van hun ouders. Maar of die kinderen hier later last van krijgen, hangt af van allerlei andere factoren zoals voedingsgewoontes, infecties of eventueel contact met schadelijke stoffen. Als een kind bij de geboorte al een multifactoriële aandoening heeft, dan is tijdens de ontwikkeling van de ongeboren baby in de baarmoeder iets mis gegaan. Een voorbeeld van een multifactoriëel overervende aandoening is een vorm van suikerziekte (diabetes mellitus type 1). 6. Mitochondriële overerving Een andere bijzondere vorm van erfelijkheid is mitochondriële overerving. De celkern is het deel van de lichaamscellen dat alles regelt. In de celkern zit het grootste deel van de erfelijke informatie. Maar er bestaat ook nog erfelijke informatie buiten de celkern, namelijk in de mitochondriën. Deze erfelijke informatie wordt mitochondrieel DNA genoemd. Mitochondriën zijn de energieleveranciers van onze cellen. In het mitochondrion wordt de energie die vrijkomt bij het verbranden van voedingsstoffen, omgezet in een vorm die voor de cel bruikbaar is. Bepaalde weefsels zijn afhankelijk van deze energievoorziening, zoals de hartspier, de skeletspieren en het hersenweefsel. Vandaar dat aandoeningen die door afwijkingen in het mitochondrieel DNA (mtDNA) worden veroorzaakt, vooral bij deze organen voorkomen.
Mitochondriën erf je in principe alleen van je moeder. Dat komt omdat de mitochondriën niet in de kern, maar buiten de kern van de cel zitten. De buitenkant van de cel heet het cytoplasma. De bevruchte eicel bevat alleen de mitochrondriën uit het cytoplasma van de eicel. In de zaadcel zitten ook enkele mitochondriën. Maar die zitten vooraan in de staart van de zaadcel en worden niet binnengebracht in de eicel tijdens de bevruchting. Een mutatie (verandering) in die mitochondriën wordt dus alleen van moeder op kind overgedragen. Dat betekent dat een mitochondriële afwijking zowel bij jongens als bij meisjes kan voorkomen, maar dat deze enkel via vrouwen wordt doorgegeven. Een voorbeeld van een mitochondriële aandoening is Leber’s opticusatrofie.7. Mozaïcisme Niet van elke ziekte is de manier van overerven te verklaren. Soms komt het voor dat een deel van de cellen in het lichaam een andere erfelijke samenstelling heeft dan de rest van de cellen. Met andere woorden: dat een deel van de cellen de erfelijke verandering van de aandoening heeft en een ander deel niet. Het kan daardoor voorkomen dat iemand milde kenmerken van de aandoening heeft, afhankelijk van het celtype en van de hoeveelheid afwijkende cellen daarin. Dit wordt mozaïekvorm of mozaïcisme genoemd. Er kan mozaïcisme ontstaan voor bepaalde veranderingen in de genen, maar ook voor chromosoomafwijkingen (vorm, grootte en ook het aantal). Deze veranderingen in het erfelijk materiaal ontstaan tijdens één van de eerste delingen van de bevruchte eicel. De bevruchte eicel zelf bevat wel een normale (gezonde) samenstelling van het erfelijk materiaal. Een vrucht ontstaat doordat de bevruchte eicel zich aldoor deelt. Er kan in één van die cellen van de bevruchte eicel spontaan een verandering in een gen of een verandering van de chromosoomvorm plaatsvinden. Die verandering wordt vervolgens doorgegeven aan alle cellen die uit deze cel ontstaan. Alle cellen die voortkomen uit een normale cel, zullen de verandering niet hebben. Hetzelfde geldt voor de verdeling van de chromosomen. Door een verkeerde verdeling kan er een cel ontstaan met een onjuist aantal chromosomen. Als de chromosomen niet juist verdeeld worden, kan er bijvoorbeeld tijdens de delingen van de bevruchte eicel een cel met 45 chromosomen en een cel met 47 chromosomen ontstaan. Deze verkeerde verdeling in de chromosomen wordt non-disjunctie genoemd.
Als er tijdens de eerste deling van de bevruchte eicel een chromosoom niet goed verdeeld wordt, ontstaat een persoon dat in alle cellen een chromosoom te veel heeft, er is dan geen sprake van een mozaïek. Als deze fout in de verdeling bij een latere deling optreedt, zijn er ook al gezonde cellen gevormd. Een persoon kan dan een mozaïek van cellen hebben waarin een normaal aantal chromosomen zit, en van cellen met een chromosoom te veel. Als er tijdens de eerste deling van de bevruchte eicel een fout optreedt in de verdeling van de chromosomen die het geslacht bepalen, kan er wél een mozaïekvorm ontstaan. Dit komt omdat zowel trisomie-cellen (bijvoorbeeld XXX) als cellen met één X-chromosoom (zoals XO) levensvatbaar zijn. Er is dan een mozaïek van XXX-cellen en XO-cellen. Alleen cellen die maar één Y-chromosoom hebben en geen X-chromosoom (YO) zijn niet levensvatbaar. Afhankelijk van het tijdstip waarop de mutatie of verandering in de verdeling van de chromosomen optreedt, zullen er meer of minder cellen veranderd zijn. Hoe eerder de fout optreedt, des te meer cellen deze verandering in het erfelijk materiaal bevatten. Over de manier van overerven van een mozaïekpatroon is (nog) niet veel bekend. Ouders van een kind dat een mozaïek voor een bepaalde aandoening heeft, hebben in de regel geen verhoogde kans op een tweede kind met dezelfde aandoening. De kans daarop wordt geschat op één procent of zelfs lager. Een voorbeeld van een aandoening die als mozaïek kan voorkomen is het Downsyndroom. Eén tot twee procent van de mensen met het Downsyndroom hebben een mozaïek van cellen met het normale aantal chromosomen (46) en van cellen met een extra chromosoom 21 (47). 8. Y-gebonden overerving Via het Y-chromosoom kunnen bepaalde eigenschappen worden overgedragen van vader op zoon. Op het Y-chromosoom liggen tussen de 70 en 200 genen. Ter vergelijking: op het X-chromosoom liggen rond de 1.000 genen. Omdat alleen mannen het Y-chromosoom hebben, zijn veel van de genen betrokken bij de ontwikkeling van het lichaam van de man en de vruchtbaarheid. Het SRY gen op het Y-chromosoom zorgt er bijvoorbeeld voor dat een foetus zich ontwikkelt tot een jongetje. Afwijkingen in het SRY gen kunnen er toe leiden dat een foetus zich in de vrouwelijke richting ontwikkelt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het syndroom van Swyer. Informatie van het EuroGentest Project (pdf-bestanden) Informatie over erfelijkheid op deze website Verwante onderwerpen op deze site Auteur Drs. Marloes Brouns-van Engelen (medisch bioloog) Redactie Petra Bloem (informatiespecialist), Ragna Senf, MSc (bioloog) en Mies Wits-Douw (publieksvoorlichter) De bewerkte afbeeldingen komen oorspronkelijk van de U.S. National Library of Medicine. Datum Augustus 2010 |
Een vraag stellen? Klik hier.
© Stichting Erfocentrum 2001-2010 / Disclaimer
Het Erfocentrum is het Nationale Kennis- en Voorlichtingscentrum Erfelijkheid, Zwangerschap en Medische Biotechnologie.
Het Erfocentrum wordt mede mogelijk gemaakt door financiële steun van de Centra voor Klinische Genetica en donaties.
Het Erfocentrum is een non-profitorganisatie en kan ook uw steun goed gebruiken. Steun ons!.
