|
uw onderwerp:
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W XYZ OVERIG
|
|
Doorgeven van erfelijke eigenschappen
Om te begrijpen hoe ouders erfelijke eigenschappen (in de vorm van genen) door kunnen geven aan hun kinderen, gaan we terug naar het begin van elk leven: de bevruchting. Bij de bevruchting versmelten een eicel en een zaadcel met elkaar. In tegenstelling tot alle andere lichaamscellen, bevatten een eicel en zaadcel maar 23 chromosomen. We noemen ze de voortplantingscellen. Na de bevruchting is er weer een cel ontstaan met 46 chromosomen. Hierin komt dus de ene helft van de erfelijke eigenschappen van de vader en de andere helft van de moeder. Deze combinatie van ouderlijke kenmerken, bepaalt de uiteindelijke kenmerken van het kind. Exacte kopieën
Wordt het een jongen of een meisje?
De man heeft dus twee soorten zaadcellen. In de ene helft zit een X- chromosoom, in de andere helft een Y- chromosoom. Een vrouw heeft alleen eicellen met een X- chromosoom. Als een zaadcel met een Y- chromosoom een eicel bevrucht, zal zich een jongetje (XY) ontwikkelen. Als een zaadcel een X- chromosoom bevat, dan zal zich een meisje (XX) ontwikkelen. Informatie over erfelijkheid op deze website Verwante onderwerpen op deze site Auteur Drs. Marloes Brouns-van Engelen (medisch bioloog) Redactie Petra Bloem (informatiespecialist), Ragna Senf, MSc (bioloog) en Mies Wits-Douw (publieksvoorlichter) Deze tekst is inhoudelijk gecontroleerd door een klinisch genetisch centrum. Datum Update juli 2010 door het Erfocentrum |
Een vraag stellen? Klik hier.
© Stichting Erfocentrum 2001-2010 / Disclaimer
Het Erfocentrum is het Nationale Kennis- en Voorlichtingscentrum Erfelijkheid, Zwangerschap en Medische Biotechnologie.
Het Erfocentrum wordt mede mogelijk gemaakt door financiële steun van de Centra voor Klinische Genetica en donaties.
Het Erfocentrum is een non-profitorganisatie en kan ook uw steun goed gebruiken. Steun ons!.
